Connor Selby
Hnita Jazz Club, Heist-op-den-Berg – 17 januari 2026

Na het kerstverlof trekken we op zaterdag 17 januari voor een eerste optreden van 2026 naar deHnita. Op het programma staat Connor Selby. Hij wordt ons aangekondigd als een nieuwe rijzende ster van de Britse bluesscene, wat dat ook moge betekenen. We kennen de man en zijn band niet en besluiten dus om een beetje ons huiswerk te doen. Al snel valt ons op dat in de geschreven pers hij nu eens als een soul- en bluesgitarist wordt beschreven, dan weer als een 'fiery' bluesrocker, terwijl nog anderen het hebben over het funky karakter van zijn nummers. Het gaat dus een beetje in alle richtingen, hoewel iedereen het erover eens is dat hij talent heeft. De 27-jarige man heeft reeds drie albums uitgebracht, waarvan het laatste, 'The Truth Comes Out Eventually', vorig jaar verscheen. Bij het beluisteren van zijn albums moeten we inderdaad vaststellen dat hij het bluesgegeven op vrij diverse manieren benadert en van een rocksound gaandeweg opschuift naar soul- en funky geluiden. We zijn dus benieuwd wat een live-optreden zal geven. In april 2024 stond hij reeds in de Hnita en hij speelde toen voor een publiek van tachtig mensen. Nu is het uitverkocht. Dat is de artiest niet ontgaan en hij is er duidelijk mee in zijn nopjes.

De set begint een beetje atypisch met een licht swingend midtempo-nummer 'I Should't Care', gevolgd door twee funky nummers en de titeltrack van zijn laatste album. Connor heeft een aangename stem met een indringend karakter, die hij op een gevarieerde manier met mooie fraseringen gebruikt. Hij zingt trouwens bijna permanent met de ogen dicht. Minzaam ogend spreekt hij tussen de songs het publiek op een zachte manier toe, soms zelfs een beetje timide en van achter zijn haarlokken die steevast voor zijn aangezicht hangen. Zijn elegante songs hebben dikwijls een funky inslag met vlot klinkende arrangementen. Ze zijn steevast van zijn pen en met een autobiografische inslag. De blazers die prominent aanwezig zijn op zijn albums en de nummers een soulkarakter geven, ontbreken hier wel een beetje. Doorheen de set valt de sterke ondersteunende rol van keyboardspeler Stevie Watts op. Vooral zijn gedreven Hammondpartijen geven de songs een voller karakter.

Met 'I Want You, But I Can't Have you' krijgen we vervolgens een eerste slowblues voorgeschoteld. Mooi gezongen, maar Connor legt minder nuance in zijn gitaarspel dan in zijn stem. Hij speelt wel een aardig stukje gitaar maar het klink soms wel een beetje te gladjes en afgewogen. We gaan niet zeggen dat hij op automatische piloot speelt, maar bijvoorbeeld de manier waarop de band netjes terug invalt na een solo laat doorschijnen dat het allemaal wel mooi is ingestudeerd. En steevast bij elke solo het volume op de gitaar wagenwijd openzetten en de overdrive-pedaal inschakelen begint na een tijdje te vervelen. Bij momenten horen we een zweem van B.B. of Albert King, maar de gitaarloopjes zijn vaak geïnspireerd door het gitaarwerk van Eric Clapton in diens periode bij Cream, eind jaren zestig.

Doorheen de eerste set zijn er wat problemen met de PA aan de kant van de artiesten, die geregeld om een bijregeling van het volume vragen. Bij het countrynummer net voor de pauze heeft Connor ook wat problemen om de feedback naar zijn akoestische gitaar toe onder controle te houden. Een beetje ongebruikelijk want gewoonlijk staat het geluid voor publiek en artiesten prima afgeregeld in de Hnita. Storend wordt het echter nooit.

Na de pauze gaat het verder met nog een aantal funky soulbluesnummers zoals 'I'll Never Learn' en 'I Am Who I Am'. Die hechte funky ritmes gaan Sonny Winslow op bas en Ally McDougal op drums wel goed af. Ze vormen een gerodeerde ritmesectie die goed op elkaar is ingespeeld. Doorheen de hele set krijgen we echter niet één enkele boogie of New-Orleans-beat, geen rocker à la Chuck Berry of een shuffle te horen. Een beetje eigenaardig voor een band die als bluesband wordt neergezet. En laat de shuffle nu net een beetje de lakmoesproef zijn waarop een bluesritmesectie kan worden afgetoetst. Of ze dit aspect van de blues authentiek kunnen brengen, kunnen we hier niet inschatten. We laten hen dus het voordeel van de twijfel…

Vervolgens krijgen we met 'Love Letter To The Blues' een hommage aan de bluesgiganten, waarbij Connor B.B. King en Ray Charles expliciet vermeldt. Deze laatste heeft Connors manier van zingen zeker beïnvloed. Het nummer is enkel te vinden op de heruitgave van zijn tweede album, waarbij 'Deluxe' aan de titel werd toegevoegd. De intimistische zang en het meer ingetogen gitaarwerk verrassen ons aangenaam. De rockballade 'That's Allright' sluit de set af. Het is meteen ook het enige nummer van 'Made Up My Mind', Connors eerste album. Zoals de term het laat vermoeden is het een midtempo-ballade met een lang uitgesponnen gitaarsolo, die deze maal geïnspireerd lijkt door de Britse bluesrocker Paul Kossof.

Het publiek kan het allemaal best appreciëren en houdt er een aangename zaterdagavond aan over. Ze halen de band terug voor een bisnummer. Het wordt 'Someone', de openingstrack van het laatste album; lekker swingend gespeeld met een mooi opgebouwde gitaarsolo. Achteraf bekeken had het voor ons wel een beetje meer van dat mogen zijn. Connor brengt een persoonlijke en eigentijdse maar tezelfdertijd een vrij eenzijdige interpretatie van het bluesgegeven. Best een leuk optreden om het jaar mee te beginnen, al loopt de bluesliefhebber in ons er niet onmiddellijk heel warm van...

Kris Herrebout


reageer op dit artikel

terug naar de index van de concert- en festivalrecensies

Naast de concert- en festivalverslagen op deze website is Back To The Roots sinds 1995 het meest complete en veelzijdige tijdschrift voor blues en verwante muziekstijlen. Vijf keer per jaar brengen we u nieuws, achtergrond, interviews, reportages, cd- en dvd-recensies, boeken, de meest complete blueskalender, enz... Nog geen abonnee? Klik hier voor meer info.

    
  
     
foto's:
      © Kris Herrebout