Dit
jaar waren we reeds in het
uiterste noordoosten van
Limburg in Kinrooi, au fin
fond des Ardennes (Gouvy) en
verschillende plekken
daartussenin. Nu was het de
gelegenheid om naar het
uiterste Westen te trekken,
naar Haringe. Bluesfestivals
brengen een mens zowat
doorheen het hele land. Deze
keer dus geen 'mich' en 'dich'
maar 'stûttn' en 'hoaringn',
zonder dat we ook maar enige
voorkeur hebben voor een van
beide. Op het programma staat
de 25ste editie van het
Blaublues Festival in Haringe,
op een steenworp van de
schreve met Frankrijk. Voor de
gelegenheid betrekken we een
leuke kamer in een hotelletje
onder de kerktoren, hoe kan
het ook anders. Bij aankomst
blijkt het de omgebouwde
pastorij te zijn. Wat is dat
toch dit jaar met
bluesfestivals en pastorijen:
eerst Edegem, daarna
Schellebelle en nu
Westvleteren. Terwijl we dan
toch in de streek zijn,
passeren we bij de
gelijknamige paters om onze
bestelling van het vermaarde
vocht op te pikken, niet
zonder eerst in de file te
staan aan de abdij. Na deze
verplichte passage kunnen we
overgaan tot de orde van de
dag. Organisatoren Jurgen
Lahoutte en Geert Barbry
hebben voor deze
jubileumeditie van hun
festival terug een beperkt
maar interessant programma
ineengestoken met voor elk wat
wils.
Alice Armstrong
mag de debatten openen. Vanaf
het begin brengt ze eigen
nummers zoals 'Scratching Wall
Again' en 'Bombshell', die op
blues zijn gebaseerd en waarin
ze haar vocale talenten de vrije
loop kan laten gaan. Volgt dan
een Howlin' Wolf- / Willie
Dixon-cover 'Built For Comfort',
die haar op het lijf geschreven
is. De set gaat verder met zelf
gepende tracks, waar Alice nog
een cover aan toevoegt, namelijk
'Bang Bang' van Cher. Als we
deze set vergelijken met wat
Armstrong ons serveerde op Swing
2024, dan is het duidelijk dat
haar insteek is geëvolueerd. Een
pak minder blues en een set die
veeleer aanleunt bij bluesrock.
De alomtegenwoordige gitarist
zit hier zeker voor iets tussen.
Daar waar we zijn voorhanger in
Wespelaar prezen voor zijn
adequate, veelal terughoudende
gitaarstijl, gaat het er deze
keer krachtiger aan toe. Het
publiek vindt het anders best
okay. In dichte drommen staat
het aan het podium, wat trouwens
het werk van de fotografen niet
eenvoudig maakt. Het publiek
bestaat voor 95% uit mensen van
de streek, maar we ontwaren ook
enkele toeschouwers uit
Wespelaar en botsen op een paar
copains die we reeds een
veertigtal jaar geleden
ontmoetten in het Limburgse. Het
is een kleine wereld.
Met Mark
Hummel & Anson Funderburgh
krijgen we een bijzondere groep
veteranen, want Bill Stuve en
Wes Starr vervolledigen het
kwartet. Alles opgeteld staat
hier ettelijke decennia ervaring
op de planken. Vanaf de
instrumentale opener, met een
lang uitgesponnen harmonicasolo,
is het duidelijk wie er de plak
zwaait in de band. Mark laat in
een evenwichtige mix van eigen
nummers en covers zijn kunnen op
de mondharmonica horen. Zijn
zang valt niet onmiddellijk in
onze smaak – hij geeft ons de
indruk van met de handrem op te
zingen of 'en sourdine' – maar
dat wordt ruimschoots
gecompenseerd door zijn
gesofisticeerd harmonicaspel,
waarin hij zich met hart en ziel
overgeeft. We denken hier
bijvoorbeeld aan zijn solo in
het nummer 'I'm Hooked' waarin
hij in zijn typische
hoofdschuddende stijl stevig
uithaalt. Anson voegt er een
aardig opgebouwde solo aan toe,
zonder echter vonken los te
slaan. Ook hier kunnen we het
niet nalaten om de set te
vergelijken met een vroeger
optreden van dit heerschap, dat
we konden meepikken in New York
in 2014, op dat ogenblik nog met
(Little) Charlie Baty. Toen veel
knallende gitaren van de twee
stergitaristen en Mark in een
bescheidener rol. Nu Mark als de
prominente frontman met Anson
eerder op de achtergrond. Maar
Anson schittert ook in de rol
van sideman. Hij is deze keer
niet uitgerust met zijn
vertrouwde Stratocaster en een
Super Reverb, maar speelt de set
op een Fender Jazzmaster door
een Fender Vibrolux met een
externe reverb-tank. Wie denkt
dat het materiaal er niet zo toe
doet, krijgt hier het tegendeel
te horen. Deze setup levert een
meer ronde, minder bijtende
sound. Het is trouwens een
bewuste keuze, zo leert ons een
praatje met de man na het
optreden. Toegegeven, een beetje
atypisch voor Anson, maar
perfect passend voor de rol van
begeleider, die hij zichzelf
toemeet. Bill Stuve daarentegen
gaat als een bezige bij te werk.
Zijn vingers dartelen in
uitgebreide baslijnen over zijn
fretboard, een beetje in
tegenstelling met wat Anson doet
met zijn minimalistische aanpak.
In de slowblues 'You're Breakin'
My Heart' laat Anson zich dan
toch eens gaan maar tijdens het
bisnummer trekt Mark nog eens
alle registers open en zet hij
terug de puntjes op de i, niet
dat er van enige concurrentie
sprake is.
Na de veteranen
brengt Selwyn Birchwood
zijn eigentijdse kijk op de
blues. Met een swingende
instrumental opent hij zijn
optreden en laat hij
onmiddellijk zijn kunnen op de
gitaar horen, inclusief met zijn
tong. Vervolgens krijgen we een
portie stevige funkblues met
aanstekelijke ritmes, waarna hij
het roer volledig omgooit met
een John Lee Hooker-cover.
Vervolgens gaat hij verder terug
in de tijd, haalt hij de slide
boven en brengt hij 'You Better
Come On In My Kitchen' van
Robert Johnson. Doorheen zijn
songs klinkt steevast zijn
ietwat rauwe stem op een
gedragen wijze door. Maar... je
zult het al hebben begrepen. Qua
stijl valt de man moeilijk in
één enkel doosje te duwen. Met
zijn ongewone en dus originele
mix van stijlen geeft hij
duidelijk een eigen twist aan de
blues, al brengt dat een beetje
de samenhang van het optreden in
het gedrang. Halverwege de set
voegt zangeres Carly Harvey
zich bij de band. Haar gemengde
'afro-american' en 'native
american' roots vertaalt zich in
haar benadering van de
blueszang. Ze brengt
verschillende funky nummers van
haar laatste lp maar valt vooral
op in de slowblues 'Misery'
waarin Selwyn haar mooie
zangpartij passend aanvult met
een solo. In duet grabbelen ze
nadien in de oude doos met een
cover van 'Ain't Nobody's
Business', waarna 'Little By
Little' naadloos wordt ingezet
als afsluiter van de set.
Net voor de
laatste set van start gaat,
worden de beide organisatoren
uitgebreid in de bloemetjes
gezet voor hun onverdroten inzet
om dit festival reeds 25 jaar te
runnen. Als laatste act krijgen
we mijnheer Duracell van de
blues. Nico Waine Toussaint
staat gekend om zijn krachtige
optredens met nimmer aflatende
energie. Ditkeer treedt hij op
in een big band-setting met een
stevige blazerssectie, die vanaf
de opener aan zet is. De set
beslaat een breed gamma aan
stijlen, nu eens een Bo
Diddley-beat, dan weer meer
funky of met een New
Orleans-beat. James Cotton komt
uitvoerig aan bod, hetzij onder
de vorm van covers of via
nummers,geschreven als hommage
aan de man. Een constante
doorheen de set is de tomeloze
energie waarmee Nico het publiek
met zijn zang en
mondharmonicaspel op sleeptouw
neemt. Hij is trouwens uitgedost
in een kostuum en hemd met
overmaatse kraagpunten. Een mens
vraagt zich af waar ze die
verkopen. Verder zouden we in
feite liever hebben dat hij
Frans spreekt tussen de songs.
Bij het zingen valt het minder
hard op, maar zijn accent doet
wel een beetje afbreuk aan de
authenticiteit. Even terug naar
de band. Die heeft een goede
algemene sound waarbij de
gitarist en keyboardspeler
voldoende ruimte krijgen om te
soleren. Daarenboven is er de
opvallende blazerssectie, die
uitvoerig aan bod komt. Naar het
einde van de set krijgen we een
mooie solo van de
trombonespeler. De
schuiftrombone is een
ongebruikelijk instrument in de
blueswereld maar in feite
uitermate geschikt om blue notes
en andere glijdende effecten van
de menselijke stem na te
bootsen. Terwijl
mondharmonicaspelers en
gitaristen het moeten hebben van
allerlei handigheden met de
vingers, de tong, de mond, de
snaren of de slide heeft de
trombone met de 'ingebouwde'
glissando een natuurlijk
voordeel. Met een instrumentale
uitsmijter en een zoveelste
krachtige harmonicasolo worden
zowel de set als het het
festival afgesloten.